16. Cultuurschok
Inleiding
Dit hoofdstuk gaat over de gevolgen van cultuurschok in een vreemde omgeving. Het verhaal van Manuel das Dores, genaamd Nee of Ney, komt ook aan de orde. Dat was een bijzondere ontmoeting met Nederland. Deze ontmoeting heeft mij geïnspireerd door met twee ‘simpele’ gedichten (zeeogen en koffieogen) de referentiekaders aan te geven van twee verschillende jongeren van zestien jaar, in de jaren ‘60. Hoe zouden ze denken? De Kaapverdische Piet Hein symboliseert de grote daden van mensen uit de kleine natie Kaapverdië. Toeval of niet, de meeste Kaapverdianen wonen in de deelgemeente Delfshaven. Veel Kaapverdianen weten wat het betekent om je een vreemde te voelen in je eigen land. Begin 2003 heeft Ivo Opstelten, de burgemeester van Rotterdam, Kaapverdië bezocht. Het was in de tijd dat Rotterdam bezig was met het Deltaplan Inburgering. Op dat moment was de Kaapverdische gemeenschap in rouw om de dood van Sedar Soares, een jongen van dertien jaar die doodgeschoten werd toen hij sneeuwballen naar een auto gooide. Ik heb een ook deltabrief geschreven voor de Kaapverdianen die nog van plan waren om naar Nederland te komen. Dat was mijn bijdrage in de discussie ‘dweilen met de kraan open’.
Ontmoeting met de Nederlandse cultuur
De eerste Kaapverdianen kwamen tussen 1920 en 1950 naar Nederland. In dit hoofdstuk heb ik een speciale plek voor Elly do Livramento gereserveerd. Elly was één van mijn cursisten ‘Kaapverdiaans voor Nederlanders’. In 1999 begon ik met mijn tweede groep. Daar zat Elly, een dame tussen de vijftig en zestig jaar oud. Zij leek niet echt Nederlands. Ik was benieuwd wie zij was. Tijdens het gebruikelijke rondje stelde zij zich aan de groep voor: ‘… Mijn naam is Elly do Livramento. Waarom wil ik Kaapverdiaans leren? Ik wil wat meer weten over de cultuur van mijn vader. Ik wil communiceren met mijn familie in Kaapverdië. Ik ben dochter van een Kaapverdiaan en een Hollandse vrouw. Mijn vader is in de jaren twintig naar Nederland gekomen, samen met zijn vriend Fortes, die in de tweede wereldoorlog overleden is, tijdens de bombardementen in Rotterdam. Ze waren de eerste Kaapverdianen in Rotterdam…’
Dankzij Elly kwam ik erachter dat de Kaapverdianen die in de jaren ’50 kwamen, dus niet de eerste waren. Ik wist wel dat de eerste Kaapverdianen gevlucht waren. Zij kwamen meestal met Griekse boten en vestigden zich in Rotterdam. Sommige kwamen via Dakar. De grootste groep kwam tussen 1960 en 1974. De Nederlandse Staat heeft deze vorm van immigratie genegeerd. Omdat de illegalen niet worden meegeteld in de officiële cijfers weet men vandaag de dag niet precies hoeveel het er zijn. De Kaapverdianen zijn bijna allemaal bij elkaar gebleven. Daarom weten de meeste van hen wel wie precies bij die eerste lichting horen en hoe ze hier kwamen. Van het begin af aan kregen de Kaapverdianen weinig aandacht van de Nederlandse Staat. Ze waren geen ‘gastarbeiders’. Maar wat waren ze dan wel? Economische vluchtelingen zonder status? Joost mag het weten. Wat waren de gevolgen voor de Kaapverdianen in een nieuw en vreemd land? Deskundigen zeggen dat een bezoeker in een vreemde cultuur in mentaal opzicht weer een kind wordt en dat hij meest eenvoudige dingen opnieuw moet leren. Is dat hetzelfde als inburgeren? Volgens Sjaak van der Tak, tijdens mijn eerste raadsperiode wethouder van onder meer sociale integratie, betekent inburgeren, ‘burgers maken’. Zijn nieuwkomers geen burgers? Als een burger in een vreemd land aankomt, leidt dit vaak tot gevoelens van angst, machteloosheid en vijandigheid tegenover de nieuwe omgeving. De eerste Kaapverdianen, die niet wisten waar ze terecht waren gekomen en niemand hadden om ze de weg te wijzen, moeten het in dat opzicht heel moeilijk hebben gehad. Ze spraken de taal niet en ze hadden geen tijd om bij te komen. Ze moesten werk gaan zoeken om de hele familie te onderhouden.
Een huiskat op de Coolsingel
Bij veel Kaapverdianen is de cultuurschok nog steeds aanwezig. Op zich niet vreemd want iedereen die in een vreemd land terechtkomt, wordt met een cultuurschok geconfronteerd. Zelfs Nederlandse zakenlieden die voor hun werk naar het buitenland gaan, worden ermee geconfronteerd. Na de euforie, komt de cultuurschok, daarna de acculturatie en dan pas het evenwicht. De euforiefase wordt veroorzaakt door de opwinding van het reizen en het zien van een nieuw land. Alles is mooi en alles lijkt anders.
Hoe zouden de Kaapverdianen zich gevoeld hebben toen ze voet op de Nederlandse bodem zetten? Reageren ze op zo’n moment als een huiskat die ineens op de Coolsingel wordt losgelaten? De Coolsingel symboliseert een drukke weg met veel verkeer maar ook het stadshuis met zijn hoge plafonds. Niemand zou toch zijn huiskat op de Coolsingel loslaten? Vergelijk de Kaapverdianen eens met een huiskat die ineens in een vreemde omgeving zijn eigen boontjes moet doppen. De acculturatie begint als de vreemdeling langzamerhand heeft leren functioneren onder de nieuwe omstandigheden. Hij heeft zich inmiddels een aantal ter plaatse geldende waarden eigen gemaakt, waardoor hij een nieuw zelfvertrouwen opbouwt en deel uit gaat maken van een nieuw sociaal netwerk. In de laatste fase zou een uiteindelijk mentaal evenwicht worden bereikt. Het gewenste evenwicht zullen veel Kaapverdianen echter nooit vinden. Het is soms zoeken naar een ‘ik’ die heel ver van je af staat. Volgens Hofstede kan de vergelijking met thuis negatief blijven uitvallen, bijvoorbeeld wanneer de bezoeker zich een vreemde blijft voelen of voorwerp van discriminatie blijft.
Mijn naam is ‘Nee’
De eerste dag dat Manuel das Dores, genaamd Ney, een Kaapverdisch ketelbinkie van zestien jaar, alleen naar buiten ging, kwam hij de dochter van mevrouw de Vries uit de Mathenesserlaan tegen. Ney vond het blonde meisje met die mooie blauwe ogen heel bijzonder. De dochter van mevrouw de Vries die nog maar weinig donkere jongens in haar leven had gezien, bleef Ney aankijken. Ney wás ook een mooie jongen. Mevrouw de Vries zag alles vanuit haar raam. Kennelijk vond ze dat ze haar dochter moest beschermen. Zij deed haar raam open en schreeuwde: ‘Nee, nee, Joke… doorlopen. Je kent hem niet’. Spontaan zonder te begrijpen waar het over ging zwaaide Ney naar mevrouw de Vries. Mevrouw de Vries wilde niet onbeleefd zijn en zwaaide terug. Toen Ney op het pension aankwam vertelde hij met plezier dat de mensen in de buurt al wisten dat zijn naam ‘Nee’(Ney) is. Zijn deel van het verhaal ging ongeveer zo: ‘ik loop op straat, om alvast de omgeving te verkennen, ik zag een meisje met ‘zeeogen’, ik keek naar haar, zij naar mij… Ineens maakte de moeder het raam open en begon mijn naam te roepen. Nee, Nee, Nee…Bla… Bla… Bla…De rest begreep ik niet, maar ik kon merken dat zij ook aandacht wilde, omdat ik naar haar dochter keek en niet naar haar… Tjonge ben ik al zo populair in dit land?’
Later hebben de oudere zeemannen Ney verteld dat hij het woord ‘Nee’ nog vaak zou horen. In Kaapverdië is Nee of Ney een lieve bijnaam, maar in Nederland is Nee, gewoon Nee. In het begin vroegen veel Kaapverdianen zich af waarom Nederlanders vaak achter de gordijnen stonden te gluren. Uiteraard hadden de Nederlandse mensen een andere manier van contact maken: namelijk op afstand, vanuit je eigen territorium. Daarom is internet zo handig. Je communiceert met de hele wereld, zonder elkaar te zien, te voelen of te ruiken. Vroeger, als er contact op straat plaatsvond, was dat vaak op een merkwaardige wijze. Kaapverdianen wisten niet wat ze met bepaalde vragen aan moesten: ‘…is dit je echte kleur…’. Ook werd bij wijze van grap gevraagd of je je niet gewassen had, omdat je huid zo bruin was. Daar had ik zelf ook moeite mee.
Het meisje met zeeogen
Jij meisje van mijn droom
Ik zag je blauwe ogen
Die kleuren deden me denken aan die zee die ik achterliet
Ik kreeg ineens zin om in jouw ogen te zwemmen
Ik wilde dat jij de zee was
En ik een schip zonder bemanning
Jij bent dat meisje van mijn droom
Ik heb je nodig: zoals een schip zee nodig heeft om te kunnen varen
Maar ik moet nu naar binnen
Ik ben een jongen van zestien
Ik kom werk zoeken om mijn familie te helpen
De jongen met koffieogen
Jij jongen van mijn droom
Ik zag je bruine ogen
Die kleuren deden me denken aan die koffie die ik dronk
Ik kreeg ineens zin om jou op te drinken
Ik wilde dat jij koffie was
En ik koffiemelk van Friesche Vlag
Jij bent die jongen van mijn droom
Ik heb je nodig: zoals koffie melk nodig heeft om bruin te worden
Maar ik moet nu naar binnen
Ik ben een meisje van zestien
Ik moet mijn huiswerk maken
De Kaapverdische Piet Hein
Wie de Kaapverdianen wil ontmoeten moet naar Delfshaven in Rotterdam gaan. Als u mij op tijd belt, dan zorg ik ervoor dat u de Kaapverdische Piet Hein ontmoet. Delfshaven, de haven waar Piet Hein vertrok toen hij op zoek ging naar de Zilveren Vloot. Jammer genoeg, praat niemand over de stops van Piet Hein en zijn bemanning op de Kaapverdische Eilanden voor water, voedsel en ontspanning. Inderdaad, Kaapverdië heeft Piet Hein indirect geholpen met het veroveren van de Zilvervloot. Wat namen ze mee? Wat gebeurde er met de vrouwen? En de zieke mannen die achterbleven? Iedereen zwijgt, zelfs de Kaapverdische Piet Hein zegt niets meer. Vaak heb ik me laten inspireren door deze Nederlandse held. Zijn naam was klein maar zijn daden waren inderdaad groot. Ik heb nooit begrepen waarom er zo weinig boeken over Piet Hein zijn geschreven. Willen de Nederlandse geschiedenisschrijvers iets verzwijgen? Veel Kaapverdianen lijken op Piet Hein. Wie weet? Toeval of niet, de meeste Kaapverdianen wonen in Delfshaven. De kans is groot dat Piet de voorvader is van veel Kaapverdianen.
Zilvervloot
‘Heb je wel gehoord van de Zilvervloot, de Zilvervloot uit Spanje?
Die had er veel Spaanse matten aan boord en appeltjes van Oranje
Piet Hein, Piet Hein, Piet Hein, zijn naam is klein
Zijn daden bennen groot, zijn daden bennen groot
Hij heeft gewonnen de Zilvervloot!
Hij heeft gewonnen, gewonnen de Zilvervloot’
(Triomfantelijk lied van de Zilvervloot, Viotta/Heije 1847)
De zeepiraten
Ken jij die Hollandse zeepiraten?
Ze kwamen niet om te praten
Ze namen veel bataten
Het waren net soldaten
Onze vrouwen: hand op de mond
Onze mannen: tand op de grond
Ze kwamen niet om te praten
Ze wilden gelijk paren
Later veel kinderen: blond-mulat-zwart
Vrouwen en kinderen
Mannen en geiten
Allemaal naar de bergen
Ver van de zee
Ja, heel ver van de zee
Daar achter die bergen
Daar komen geen piraten
(Triomfantelijk lied gericht aan de eilandbewoners)
Soldaat zonder natie
In mijn diensttijd, als Nederlandse soldaat van de twaalfde groep Geleide wapens in Duitsland, heb ik gezworen dat ik altijd mijn vaderland Nederland zou verdedigen. In die periode dacht ik vaak aan slechte dingen: ‘stel dat Nederland en Kaapverdië in een oorlog raken. Word ik dan als Nederlandse scherpschutter gevraagd om tegen mijn neven te vechten?’ Gelukkig waren dat waanideeën van een soldaat zonder natie: Een NAVO-militair, met Kaapverdisch bloed, in Nederlands uniform, op Duits grondgebied, met een Belgisch wapen, gecommandeerd door Amerikanen, op wacht om raketten te bewaken die op de Sovjet-Unie waren gericht.
De controle was streng, ik was één van die fanatiekelingen. Als iemand in de buurt kwam moesten wij schreeuwen: ‘halt stehen, oder ich schiess’ .Wie het wachtwoord niet meer wist, werd hardhandig aangepakt, zelfs de generaal.
We kijken verder, de Sovjet-Unie bestaat niet meer. Rusland wordt niet meer als vijand beschouwd. Onlangs is koningin Beatrix koffie gaan drinken met de president van het land, dat in mijn diensttijd (1981-1983) nog vijand nummer een was. Al die moeite en ‘indoctrinatie’ zijn kennelijk voor niets geweest.
Ik zou graag mijn instructeurs van toen willen ontmoeten om ze te vragen of ze nog in hun theorieën geloven. Hoe durven ze een jongere op die wijze te hersenspoelen. Ze hebben van mij een voorbeeldig soldaat gemaakt maar later heeft het mij veel moeite gekost om weer normaal te kunnen functioneren. Soms ben ik nog steeds achterdochtig. “Vertrouw niemand. Iedereen kan je vijand zijn”, waren de instructies.

