Terug naar beginpagina

08. Hoezo stille migranten?

Geplaatst in Columns door Agostinho op 6 juli 2005 @ 03:19 uur

Het begrip ‘stille migranten’ heb ik het voor het eerst gelezen in het blad Migranten Informatief, (juli 1991 nr. 101), een blad van Stichting Buitenlandse Werknemers Rijnmond (SBWR), nu een onderdeel van stichting Stimulans. Deze uitspraak is overgenomen en wordt nog steeds heel vaak gebruikt. Er is echter nooit duidelijk antwoord gegeven op de vraag waarom Kaapverdiërs ‘stille migranten’worden genoemd. Met andere woorden: iemand heeft zijn mening gegeven, die vervolgens door bijna iedereen werd herhaald, terwijl eigenlijk niemand precies weet waarom. In dit hoofdstuk geef ik aan waarom het onterecht is om de Kaapverdianen als ‘stille groep’ te bestempelen. In voorbeelden en door middel theorieën, ga ik in op de veelgestelde vraag ‘zijn de Kaapverdianen nou echt stil of worden ze stil gehouden?’ Ook leg ik uit waarom ik vind dat de Kaapverdianen vaak vergeten zijn.

Vergeten migranten
We hebben geen theorie nodig om te verklaren dat Kaapverdianen geen stille migranten zijn. Het is makkelijk en onzorgvuldig om een hele groep als ‘stil’ te bestempe¬len zonder te weten wat er achter de stilte schuilt. Als iemand stil is, willen we meestal weten wat er aan de hand is, toch? In dit geval zou de term ‘vergeten migranten’ correcter zijn geweest. Hierbij zou de politiek niet de enige schuldige zijn. Afgelopen jaren heb ik over deze groep veel cijfers en rapporten verzameld en gelezen. De verzamelde gegevens en bestaande theorieën hebben mij geholpen bij het maken van mijn analyse: deze groep heeft nooit prioriteit gehad binnen het beleid. Daarin ligt de ook oorzaak van de stilte.

Achtergrond
Veel Kaapver¬di¬anen kiezen ervoor te zwijgen. In het verleden was dat ook het beste om te doen. Het koloniale bewind tegenspreken, was vragen om moeilijkheden. Vroeger was het niet altijd goed om je stem te laten horen. Gedurende 500 jaar kolonialisme en onderdrukking was zwijgen vaak overleven. Mede daardoor hebben Kaapverdianen weinig vertrouwen in elkaar. In de koloniale tijd zorgden ‘informanten’ voor verwarring en werden mensen verraden waar ze bij stonden. Wat als de Kaapverdianen een vuist hadden gemaakt? Dan was Kaapverdië niet zo lang onderdrukt geweest en zou de verdeeldheid die er nu is tussen de eilandengroep Barlavento en Sotavento veel kleiner zijn. Maar de Portugezen zorgden ervoor dat de Kaapverdiërs geen hechte groep werden. Tot op vandaag hebben de Kaapverdianen daar last van. In juli 2003 zijn er anonieme pamfletten rondgestuurd door gefrustreerde mensen die anderen zwart probeerden te maken of via een conflict hun gal spuwden. Het is om je dood voor te schamen. Je vermoedt uit welke ‘kanalen’ dit soort praktijken komen maar je kunt niets bewijzen. Zulke praktijken vinden nog steeds in het geheim plaats. Het is alsof deze mentaliteit de huidige generatie met de paplepel wordt ingegoten. Let wel, het gaat hier om een generatie die de tijd van onderdrukking en armoede niet heeft gekend. Is die mentaliteit in het cultuurpatroon verankerd gebleven? De tijden veranderen en iedereen kan zeggen wat hij denkt en voelt. Maar of je altijd moet proberen om dingen met een grote mond voor elkaar te krijgen, betwijfel ik. Bovendien heb ik tijdens mijn Nederlandse les geleerd dat: spreken zilver is en zwijgen goud.

Onbetrouwbare gegevens
De laatste jaren zijn er veel onbetrouwbare cijfers en rapporten gepubliceerd. Men nam de tijd er niet voor of men had niet het vermogen om de zaak goed te onderzoeken en de geraadpleegde bronnen zorgvuldig te checken. Ter illustratie noem ik vier voorbeelden van onbetrouwbare gegevens.

Het eerste geval deed zich voor in 1989. In de sociale migrantenkaart van Rotterdam van schreef de gemeente toen dat er maar 1.997 Kaapverdianen in Rotterdam woonden. Daarbij werden mijns inziens alleen mensen met een Kaapverdisch paspoort geteld. De vraag die steeds gesteld werd, was: ‘Waarom klopt het bij die andere groepen vrijwel altijd en bij de Kaapverdianen nooit?’.
Het tweede voorbeeld gaat over Vlaardingse Kaapverdianen. Stichting Buiten¬landse Werknemers Rijnmond (SBWR) schreef in haar werk¬plan van 1994 dat in Vlaardin¬gen geen Kaapverdianen woonden. Echter, alleen mijn kennissenkring in Vlaardin¬gen telde toen al meer dan vijftig legale Kaapverdiërs. Bovendien woonde de actiefste Kaapverdische vrouw van Rijnmond, Tomazia Teixeira, in die periode in Vlaardingen. Tomazia had in Rotterdam de emancipatie van Kaapverdische vrouwen op gang gebracht. Zij is degene die taboes zoals incest en seksuele voorlichting bespreekbaar heeft gemaakt binnen de Kaapverdische gemeenschap. In het werkplan is zij en haar familie dus niet meegeteld. In het derde geval ging het om een GGD onderzoek uit 2002 met daarin de mededeling dat de Kaapverdische jongeren op nummer een staan als het gaat om crimineel gedrag. Na verbaasde reacties liet de GGD de zaak opnieuw onderzoeken. Op 9 juli 2003 liet het college via B&W bericht 25 het volgende weten: het college van B&W heeft kennis genomen van de uitwerking van de bevindingen uit het onderzoeksrapport ‘Kaapverdiaanse jongeren: minder agressief en delinquent dan ze zelf aangeven?’
Een ander voorbeeld, ook uit 2002, gaat over een analyse van Stichting COS over de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezing in 2002. Op blad 12 schreef men het volgende: ‘de ene Kaapverdiaanse kandidaat (ik dus) heeft evenveel stemmen gehaald als er Kaapverdianen gestemd hebben’. In een tabel op dezelfde bladzijde geeft deze onderzoeker aan dat er maar één kandidaat was van Kaapverdische afkomst. Hoe kan men Antonio Silva, kandidaat voor het CDA, zomaar vergeten? Bij andere bevolkingsgroepen is het aantal kandidaten dat niet gekozen was wel meegerekend. Antonio Silva is niet (direct) gekozen maar hij was wel degelijk kandidaat. Waarom zou ik hier me niet druk over maken? Dit zijn wel de gegevens die later de geschiedenis van deze bevolkingsgroep bepalen. In oktober 2004 heeft de afdeling voorlichting van het ministerie van justitie, met behulp van stichting Avanço, een (informatief) boekje uitgegeven waarin veel onjuistheden met betrekking tot Kaapverdianen staan.

Achterbanpolitiek
In het kader van achterstandbestrijding zijn de laatste jaren veel projecten uitgevoerd. De Kaapverdianen werden daarbij niet als specifieke groep geoormerkt. Hoe kan dat? Deels heeft het te maken met het feit dat ze slecht vertegenwoordigd zijn, deels met het feit dat ze gewoonweg ‘vergeten’zijn. Andere oorzaken kunnen gezocht worden in het landelijk en gemeentelijk beleid. Door uit verschillende minderheidsgroepen een paar functionarissen aan te stellen dacht men dat alle allochtonen vertegenwoordigd waren. ‘Foutje’. Weet een Marokkaan soms meer over de Kaapverdianen dan een Nederlander? Leden uit minderheidsgroepen stellen vaak eerst de belangen van de ‘eigen groep’ veilig en daarna pas het algemeen belang. Degenen die niet aan achterbanpolitiek doen, zijn nog roomser dan de paus en worden als voorbeeld van integratie beschouwd. Deze gevierde ‘bounty’, zwart van buiten, wit van binnen, wordt nog ‘lastiger’ dan die witte man of vrouw die alles via de regels wil uitvoeren. Ik weet dat veel mensen, in het bijzonder diegenen over wie ik het heb, dit tegen zullen spreken maar dit is een harde realiteit. Nu hoor ik u zeggen: de pot verwijt de ketel. Inderdaad, als het moet loop ik een paar kilometer extra voor de Kaapverdische bevolkingsgroep. Voordat ik politiek actief werd, waren mijn acties meestal gericht op het in beeld brengen van deze vergeten groep. Daarom heb ik dit boek geschreven en dat is ook de reden dat ik TV programma’s voor de lokale omroep over en voor deze groep maak. Ik wil niet beweren dat achterbanpolitiek altijd verkeerd is maar het moet wel eerlijk gebeuren. Politici en andere vertegenwoordigers mogen geen kruiwagen zijn voor buitenlandse (politieke) belangen. Geïntegreerde allochtonen mogen niet alleen maar worden gebruikt ingezet om het slechte nieuws bij de eigen bevolkingsgroep te brengen of ter camouflage.

Klassieke fouten
Het behoeft geen betoog dat de achterstand van de Kaapverdianen niet alleen te wijten is aan hun passiviteit maar aan veel meer zaken. Het landelijk minderhedenbeleid is jaren gericht geweest op Antillianen, Arubanen, Marokkanen, Turken en andere mediterranen, Molukkers, Surinamers, vluchtelingen, woonwagenbewoners, zigeuners en ‘overigen’. Landelijk behoren de Kaapverdianen tot die ‘overigen’. De situatie in Rotterdam is niet anders. Surinamers, Turken, Marokkanen en sinds 2001 ook Antillianen vormen de grootste minderhe¬dengroepen en krijgen daarom de meeste aandacht. Omdat de Kaapverdianen verdeeld zijn, dacht de gemeente Rotterdam de situatie te kunnen neutraliseren door het aanstellen van functionarissen die niet tot de Kaapverdische gemeenschap behoorden of ver van de gemeenschap leefden. Gevolg: deze medewerkers waren niet echt betrokken. Het subsidiegeld werd voor een groot deel aan salarissen van deze medewerkers besteed, die na werktijd meestal niet meer bereikbaar waren voor (de problemen van) de gemeenschap.

Passieve houding
Het is niet alleen de gemeenschap die een passieve houding aanneemt. Sommige betaalde krachten zijn in het verleden vergeten voor welk doel zij aangesteld waren. Ik moet ook erkennen dat het moeilijk is om voor Kaapverdianen te werken. Door de verdeeldheid kan je niet iedereen tevreden stellen. Kaapverdianen zijn een veeleisend volk. Wie actief is, heeft altijd vrienden en vijanden. Toch heb ik me vaak afgevraagd wat sommige betaalde functionarissen nou eigenlijk voor de gemeenschap doen? En waarom zijn het altijd vrijwilligers die uiteindelijk de klussen van die betaalde krachten opknappen? Ik word ook liever niet op mijn vrije zondag gebeld maar als deze Rotterdammers mij nodig hebben, dan moet ik er zijn. Het is niet fijn om kritiek te uiten. Mensen zien het ook gauw als ‘de vuile was buiten hangen’ en daar kun je voor gestraft worden. Ik ben al vaak bedreigd. Ik vind het vervelend om te moeten constateren maar het is voor beide partijen en voor de gemeente Rotterdam ook niet goed om mensen te lang de hand boven het hoofd te houden.

Verkeerde woordvoerders
Wie spreekt namens de Kaapverdianen? De afgelopen jaren konden ze vaak hun eigen verhaal niet vertellen. Het is op zich niet erg dat Nederlanders hun geld verdienen met het vertegenwoordigen van- en het spreken namens deze groep maar dan moeten ze wel goed geïnformeerd zijn. Waarom laten Kaapverdianen dat toe? Waarom kan dat bij de Kaapverdianen? Ik ben toch ook niet geloofwaardig als ik namens Rotterdamse moslims ga spreken? Dat kan een Marokkaan of een Turk toch veel beter?

Gebrek aan netwerk
Netwerk is de laatste tijd een veel gebruikt woord. Door gebrek aan netwerk pissen de Kaapverdische Rotterdammers vaak naast de pot. Waarom is ‘netwerken’ zo belangrijk? Door te netwerken kan een machte¬loze instelling of persoon zijn doel bereiken. Het is geen nieuws dat Kaapverdianen een jonge groep vormen en dat er weinig vertegen¬woordi¬gers werken bij instellingen als de gemeente, de overheid, ministeries en andere invloedrijke organisaties. Landelijk zijn de Kaapverdianen niet vertegenwoor¬digd. Lobbyen vinden ze al gauw ‘slijmen’. Aan pressiemiddelen zoals hongerstakingen en demonstraties doen ze niet mee. Ze zijn van oorsprong geen goede handelaren, misschien omdat ze te beleefd zijn. Voor het stad¬huis hebben ze als groep nog nooit gedemonstreerd. Eén keer hebben ze burgemeester Opstelten, tijdens zijn installatie, verrast met het aanbieden van een petitie (zijn eerste in Rotterdam): Burgemeester, welkom in Rotterdam, zet ons op uw agenda. Maar de brief die ze daarop terugkregen, geschreven door een ambtenaar, had een toon van: natuurlijk zijn jullie in beeld. Hoezo meer aandacht? Een jaar later, na de renovatie van het Heemraadsplein is een petitie aan het dagelijks bestuur van deelgemeente Delfshaven overhandigd: Heemraadsplein, Pracinha d’Quebrod, is ook van ons. Later, door het initiatief van PvdA raadslid Gerard Peet, heeft deelgemeente Delfshaven dit plein, de eerste ontmoetingsplaats van de Kaapverdische zeelieden, ook een Kaapverdische naam gegeven. Nu heet het ook Pracinha d-Quebrod. Het behoeft geen betoog dat ik deze acties heb georganiseerd.

Gastarbeiders zonder uitnodigingsbrief
Stel, je bent op een feest waarvoor je niet bent uitgenodigd. Op tafel staat eten en drinken. Je hebt heel veel trek maar je geweten zegt steeds: ‘Laat het maar staan, je kunt beter niet opvallen.’ Eigenlijk wil je niets liever dan naar die tafel gaan om te pakken wat je wilt, maar je durft het niet. Je bent bang dat iemand tegen je zegt: ‘Hé, jij bent niet uitgenodigd, wat doe jij hier, wie heeft jou hier gebracht?’ Waarom dit voorbeeld? De meeste Nederlandse ‘relaties’ beginnen bij eten en drinken. Wie commercieel denkt, weet dat wanneer je een opdracht wilt binnenhalen of iemand aardig vindt dat je diegene dan mee uit eten neemt. De meeste Kaapverdianen gaan niet uit eten. Thuis eten ze goedkoper en soms veel lekkerder. Bovendien kwamen ze om te werken. In veel restaurants, waar u en ik met onze gasten eten, staan ze uren achter de afwasmachines of in de keuken. Soms zwart, soms wit en toch behoren ze niet tot de ‘gastarbei¬ders’. In het Kaapverdi¬aans noemt men iemand die geen gast is ‘Rusga’. Zeg maar een ongewenste gast, iemand die geen uitnodigingsbrief heeft. De eerste Kaapverdiaan die met een uitnodigingsbrief of een machtiging voor binnenkomst, in het Kaapverdiaans carta de chamada, naar Nederland kwam, was Manuel Panacho. Deze uitnodigingsbrief kreeg echter hij niet van de gemeente of van de staat maar van zijn neef de Nhunha Brandão, die al een tijdje in Rotterdam verbleef. De rest is op eigen initiatief gekomen, met hulp van familieleden of landgenoten. Ze gingen hard aan het werk, maar hielden zich rustig om de stilte niet te verstoren.

Etiketteren in een papegaaiencultuur
De meeste Rotterdammers begrijpen niet waarom de naam ‘stille migranten’ steeds werd gebruikt. Het was nieuw en het klonk leuk in de oren. Het gevaar in Nederland is dat iedereen elkaar napraat: we leven in een ‘papegaaiencultuur’. Volgens G. Hofstede is etiketteren een extreme vorm van beoordeling. Het is een reactie op een waarneming bij de betrok¬ke¬ne zelf of bij de ander, die niet alleen het gedrag, maar ook het totale ‘zijn’ raakt. Het is een attributie: jezelf of anderen iets toedichten om je ervaringen te verklaren. Bij etiketteren vindt meestal geen toetsing aan de werke¬lijkheid plaats. Deze etiketten hebben dan ook, zonder dat men zich dat realiseert, verstrekkende gevolgen. Het is daarom zinvol de etiket¬ten te onderzoeken en stil te staan bij de etiketten die een persoon op zichzelf en zijn situatie plakt. Door constructief gebruik van positieve etikettering kan een belangrij¬ke aanzet tot verandering worden gegeven. Een gevolg van etiketteren is dat de verwachting zichzelf vaak waarmaakt: een self-fulfilling prophecy (zie hoofdstuk 4.5).

Als je geen moslim bent, word je overgeslagen
Tijdens de verkiezingscampagne van 2002 en 2003, vroegen Kaapverdianen zich af of de oud-bestuurders van Rotterdam met twee maten hadden gemeten. De discussie over moskeeën stond bij velen nog vers in het geheugen. Een Rotterdammer (made in Kaapverdië) die zichzelf een versleten havenarbeider noemt, zei: ‘ wat een onzin, jullie zitten daar in het stadhuis te praten over hoe groot een moskee moet zijn, maar jullie vergeten dat andere gelovigen niets hebben. Nog niet eens een bankje om te bidden. In Rotterdam vergeten ze je gewoon, als je geen moslim bent’.

Ik vind dat deze man gelijk heeft, maar of ‘vergeten’wel de juiste conclusie is, weet ik niet. Ik zal het nuanceren: als je geen moslim bent, word je overgeslagen. Vroeger werd er inderdaad alles aan gedaan opdat onze moslimbroeders zich thuis zouden voelen in Nederland. Nu de regels worden verscherpt, kunnen deze broeders zien dat Nederland geen paradijs is. Ik hoor collega-raadsleden wel eens zeggen: ‘we hebben de allochtonen doodgeknuffeld’. Dat geldt dan mooi niet voor alle groepen. Tijdens de campagne werd ik geconfronteerd met vragen als: ‘Waarom hebben de Kaapverdianen geen eigen kerk gekregen, toen dat mogelijk was? Waarom hebben de Kaapverdianen geen eigen (feest)zalen gekregen om hun rituelen uit te oefenen toen alles gesubsidieerd werd? Waarom hebben de Kaapverdianen geen eigen ontmoetingsruimte voor ouderen, jongeren en vrouwen gekregen toen alles in het kader van ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ mogelijk was?’

Iedere zaterdag, als Kaapverdische voetballiefhebbers langs de Abraham van Stolkweg rijden voor een potje voetbal op één van de velden langs het CBR, kijken ze met een beetje jaloezie naar die veel besproken mooie moskee tegenover de oude Van Nelle fabriek, waar sommige Kaapverdianen jaren lang met zweet en tranen gewerkt hebben.

Onderzoeken
Over de reeds verschenen onderzoeken kan ik kort zijn. Ze waren in mijn ogen niet altijd gericht op het oplossen van problemen. Veel onderzoeken hebben meer vragen opgeroepen dan beantwoord. Waarom onderzoeken we iets dat we al lang weten? Sommige conclusies vond ik zorgwekkend. Een uitspraak over het hele Kaapverdische volk zegt in principe heel weinig over een Kaapverdisch individu. Bestaat het gemiddelde individu? Veel te vaak gebruikt men stereotypes, zoals: ‘de Kaapverdianen vormen een stille groep’. Dit is niet anders dan het gebruiken van veronderstellingen over collec¬tieve eigen¬schap¬pen van een groep. De laatste tijd zijn er diverse onderzoeken verschenen over de problemen van Kaapverdianen. Welke waarde moeten wij aan die onderzoeken hechten? De sleutel is nog steeds niet gevonden, althans de problemen zijn nog niet opgelost. Hoe betrouwbaar zijn de meeste onderzoeken? Zijn ze representatief genoeg? Ik ben er inmiddels achter gekomen dat alles wat te onderzoeken is, brood op de plank brengt. Het houdt mensen bezig. Het resultaat van één onderzoek kan leiden tot het verkrijgen van subsidies om bepaalde doelen te realiseren.

Self-fulfilling prophecy
Tenslotte wil ik kort aangeven, hoe één Kaapverdiaan is omgegaan met deze etikettering. Dit negatieve stempel van ‘stille migranten’ is uitgesproken of geïnsinueerd. Eerst reageerde hij verbaasd, daarna sloeg het negativisme toe. Tegen deze uitspraak kon de geïsoleerde Kaapverdiaan niet op. Hij voelde zich machteloos: ‘als men het zo zegt, dan zal het ook wel zo zijn’. Doordat het negativisme aanhield, belandde hij in een vervreemdingsfase, gevolgd door apathie. Uit woede, machteloosheid en angst voor dit negatieve beeld, ging hij irrationeel gedrag vertonen. Hij was niet meer gemotiveerd. Later verdedigde deze Kaapverdiaan zich niet meer als hij een stille migrant genoemd werd. De motivatie om voor zijn eigen belangen op te komen, was verdwenen. Deze harde werker van vroeger, wordt anno 2004, met criminaliteit in verband gebracht. Het verbaasde mij niet dat veel Kaapverdianen niet geschrokken reageerden toen in juni 2003 die drugsmeisjes uit Rotterdam in Turkije werden opgepakt. Wordt dit probleem geaccepteerd? Of zijn drugs voor sommige Rotterdammers de enige weg om de armoede te ontvluchten?

( Geen commentaar mogelijk op dit artikel )