Terug naar beginpagina

07. Mijn gezinshereniging

Geplaatst in Columns door Agostinho op 6 juli 2005 @ 03:19 uur

In het kader van gezinshereniging leerden veel Kaapverdische kinderen één van de ouders, soms beiden, pas in Rotterdam kennen. Gelet op het feit dat de meeste verhalen over gezinshereniging complex en persoonlijk zijn, zal ik het bij mijn eigen gezinshereniging houden. Niet omdat het spannender is maar omdat ik het belangrijk vind om bepaalde onderwerpen dicht bij mezelf te houden. Mijn verhaal is tevens het verhaal van veel andere Kaapverdische Rotterdammers: geboren in Kaapverdië, gevormd in Rotterdam. Het antwoord op de huidige problemen mag soms gezocht worden bij het begin van gezinshereniging. Wat is er toen fout gegaan? In dit hoofdstuk vraag ik ook uw aandacht voor de geestelijke tegenslagen die een individu kunnen achtervolgen. Armoede en de strijd om te overleven gaat soms ten koste van het welzijn van een kind. Dit hoofdstuk eindigt met een gedicht, gericht aan alle kinderen van de Kaapverdische kindermeisjes in de tijd dat de Portugezen de dienst uitmaakten.

‘Mama’ leren zeggen
Daar stond ik dan als puber van dertien jaar. Mijn moeder heeft mij en mijn broertje Carlos hiernaartoe meegenomen. Zij was gescheiden en woonde met mijn broertjes Chiquinho en Emanuel (Kippa) op een vierkamerwoning en een zolder aan de van Oosterzeestraat 93A, in deelgemeente Delfshaven. Mijn eerste huis in Rotterdam viel erg tegen. Het had niet eens een badkamer maar alleen een simpele douche. Volgens mijn ‘Kaapverdische kinderbril’ woonden alle mensen die zo mooi aangekleed waren als mijn moeder in hele chique woningen met luxe badkamers. Ik weet nog dat ik aan God vroeg of dit echt Rotterdam was. Mijn eerste huis in Rotterdam is inmiddels gesloopt.

In Rotterdam moest ik opnieuw ‘mama’ leren zeggen. Ik was bij mijn grootouders opgegroeid en ik noemde mijn oma altijd ‘mama’. In Rotterdam moest ik mama tegen mijn echte moeder zeggen. Het begon toen ik twee jaar was: mijn moeder ging als interne huishoudelijke medewerkster voor hoge Portugese functionarissen werken. Zij waren rijk en streng katholiek. In die tijd, het was nog in de koloniale periode, kon mijn moeder niet als een bewuste ongehuwde moeder voor de dag komen. Ze werkte voor zulke ‘belangrijke’ mensen. Zij was ‘menina Julia’, mejuffrouw Julia, en zo moest het blijven. Omdat niemand erachter mocht komen dat zij een ongetrouwde moeder was, mocht ik haar geen mama noemen. Oma werd mama. Toen mijn moeder naar het buitenland emigreerde, bleef ik mijn oma mama noemen, waardoor de afstand tussen mijn moeder en mij steeds groter werd. Ik wilde juist tegen de hele wereld zeggen dat die mooie jonge schone dame mijn echte moeder was. Maar het systeem hield geen rekening met de wensen van een kind. Ik moest altijd vertellen dat mijn moeder mijn grote zus was. Ik hield ontzettend veel van mijn lieve oma maar met die mooie jonge dame wilde ik bij mijn leeftijdsgenoten pronken: ‘kijk eens hoe mooi mijn moeder is!’ Iedereen die geen familie was, dacht inderdaad dat mijn oma mijn moeder was. Ik had geleerd om mijn moeder ‘Mana Djula’ (bijnaam voor grote zus Julia) te noemen. In Rotterdam moest ik ineens mama zeggen en dat ging moeizaam. Wat zit de wereld toch raar in elkaar: toen ik het wilde, mocht ik het niet, toen ik het mocht, kon ik het niet meer. Ik vond mijn moeder streng. Die lieve Mana Djula die mij veel speelgoed stuurde, herkende ik niet meer. Toen mijn broertje Carlos en ik uit Kaapverdië kwamen, had mijn moeder weinig tijd voor ons. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voor ons moest zij boven het bijstandsniveau verdienen. Daarom ging zij overdag en in de avonduren voor twee schoonmaakbedrijven werken. Door de vreemdelingenpolitie had zij veel stress en was ze vaak overspannen. Volgens de vreemdelingenpolitie waren onze papieren niet in orde. Als het aan hen lag, zou ik met mijn broertje Carlos direct worden teruggestuurd naar Kaapverdië. Later gingen ze twijfelen of Carlos en ik wel haar echte kinderen waren. Ze namen haar paspoort in beslag. Zonder paspoort kon zij geen geld opnemen. Dus voor het eerst in mijn kinderleven, in dit paradijs notabene, maakte ik mij zorgen om de dag van morgen. Let wel, ik kwam van die eilanden waar mensen van dag tot dag leefden. Het werd een slopende rechtszaak, die uiteindelijk in ons voordeel eindigde. Mede door de onmenselijke behandeling van de vreemdelingenpolitie kreeg ik heimwee. Ik miste mijn oma, de gezelligheid van de straten en de stranden van Kaapverdië maar vooral de vrijheid om op blote voeten buiten te mogen spelen. Mijn moeder had hulp nodig maar de mensen die haar konden helpen, hadden zelf ook taalproblemen. Ik begreep niet waarom er geen instanties waren om Kaapverdianen te helpen. Toen ik ongeveer een jaar in Nederland was, moest ik al voor mijn moeder tolken. Zoiets mag een kind niet overkomen. Mede hierdoor zal ik mij blijven inzetten om kindertolken te verbieden.

In Rotterdam was alles anders. In het begin moesten we, zolang de verblijfspapieren niet in orde waren, meestal binnen blijven. Bovendien was mijn moeder bang dat haar ex-man ons zou mishandelen of mijn kleine broertjes zou ontvoeren. Deze agressieve ex van mijn moeder had vaak geprobeerd onze deur in te trappen en hij had gedreigd wraak op ons te nemen. Mijn periode in Rotterdam was er één van spanning, angst en verveling. In een overspannen sfeer moest ik de normen en waarden van mijn moeder leren kennen. Buiten moest ik me aanpassen aan de Nederlandse manieren en de Nederlandse taal leren. Hierdoor raakte ik in een crisis. Soms had ik zin om weg te lopen maar ik kon mijn oma geen verdriet doen. Ik had haar beloofd dat ik me goed zou gedragen. Waarschijnlijk is dat mijn redding geweest. Later merkte ik dat Joop van Schaijk, de Nederlandse vriend van mijn moeder, steeds frequenter naar ons huis kwam. Vanaf het begin klikte het niet tussen ons. Maar voor ik het wist, woonde hij bij ons en hij ging ‘de man in huis’ spelen. Dat was het begin van een nieuwe periode. Ik moest deze vreemde Rotterdamse meneer ‘papa’ noemen en hem als vader erkennen. Toen hij met mijn moeder trouwde, waren we van de vreemdelingenpolitie verlost en kregen we meteen de Nederlandse nationaliteit, in naam van Koningin Juliana, dus eigenlijk moet ik hem dankbaar zijn. Telkens als iemand zei dat de Kaapverdische vrouwen beter met Hollandse mannen konden trouwen, ging ik er tegen in, omdat mijn eigen ervaring met een Hollandse stiefvader zo negatief was uitgevallen. Mijn stiefvader was een oorlogskind dus hij had ook een slechte jeugd gehad en was niet in staat om mijn broertjes en mij de nodige liefde en aandacht te geven. Ik zie hem nog ruzie maken met mijn broertje Kippa, acht jaar toen, om een stukje karbonade.

Misschien klinkt het verhaal over mijn gezinshereniging een beetje zielig. Het is inderdaad geen pretverhaal maar het is absoluut geen roep om begrip of medelijden. Mijn verhaal is niets vergeleken met de verhalen van sommige andere Kaapverdische jongeren. Wat dacht u van die meisjes die door hun stiefvaders seksueel misbruikt werden? Of de vernedering van jongens en meisjes die voor straf bijvoorbeeld in de winter een paar uur naakt in de tuin of voor de deur moesten staan? Of die kinderen die met elektriciteitskabels werden geslagen of teruggestuurd naar Kaapverdië terwijl er niemand was om voor ze te zorgen? De reden dat ik af en toe voor mijn eigen verhaal kies, heeft puur te maken met het feit dat ik andermans geheimen respecteer. Daarnaast heb ik, als CWI adviseur, ook te maken met beroepsgeheim en de privacy van individuen die hun verhaal niet aan buitenstaanders willen vertellen. Vertrouwelijke verhalen die ik te horen kreeg op mijn werkplekken of in mijn hoedanigheid als sociaal werker zal ik niet vertellen of opschrijven.

Chiquinho: dit is je grote broer
De eerste ontmoeting met mijn kleine broertje Chiquinho zal ik ook nooit vergeten. Hij was twee jaar oud toen ik naar Rotterdam kwam. Ook voor hem was het een omschakeling. Hij ging ; s avonds naar bed en toen hij weer wakker werd, had hij er ineens grote twee broers bij. Ik was al dertien en Carlos was zes. De eerste ochtend stonden we voor zijn bed en ik weet nog dat mijn moeder tegen hem zei: ‘kijk Chiquinho, dit zijn je grote broers. Dit is Agostinho en dit is Carlos.’ Hij zal gedacht hebben: ‘hoe kan dat nou? Ik ben naar bed gegaan, had maar één broer en nu heb ik er ineens twee bij en dan al zo groot. Gaat het zo makkelijk tegenwoordig? Waarom heb ik ze nooit eerder gezien?’ Mijn broertje Chiquinho omhelsde mijn moeder en keek mij boos aan. Met die blik wilde hij waarschijnlijk zeggen: ‘dit is mijn moeder en dit is ons huis, ik accepteer geen indringers’.

Op dit moment probeer ik te fantaseren wat een kind van twee jaar zich op zo’n moment zou kunnen voorstellen, maar voor mij is dit ook een manier om bepaalde gebeurtenissen te ordenen en een plekje te geven. Mijn broertje Kippa, toen vier jaar, werd snel maatjes met Carlos. Chiquinho niet, die bleef ons vreemd vinden. Een paar dagen later, waren we aan het spelen. Toen kwam hij plotseling kwam naar mij toe met een speelgoedauto en zei: ‘meneer dit is mijn auto’. Ik werd boos, ik tilde hem op, schuddend in de lucht schreeuwde ik tegen hem: ‘ik ben geen meneer, ik ben je broer. Van af nu ga je mij Maninho (bijnaam voor lieve broer) noemen, begrepen?’ Hij begon te huilen en ik probeerde hem te troosten en tegelijkertijd huilde ik met hem me. Als mijn moeder weg was, dan mocht ik thuis de ‘baas’ zijn. Ik mocht mijn broertjes straffen en belonen conform de Kaapverdische normen en daar heb ik ontzettend veel spijt van. ‘Sorry jongens!’

Agostinho dos Santos

De Kaapverdische appel
Ik vraag uw aandacht voor de problemen rondom gezinshereniging die de Kaapverdianen nog steeds achtervolgen, problemen met betrekking tot integratie en ongewenst gedrag. De Nederlandse samenleving heeft de komst van de Kaapverdianen genegeerd. De gezinshereniging ging z’n gang zonder regie of begeleiding. De gevolgen van die ongestructureerde gezinshereniging zijn nog steeds zichtbaar en voelbaar. Het is alsof de ouders, met uitzondering van hun taalproblemen, al hun sociale problemen aan hun kinderen hebben overgedragen. Kennelijk valt de Kaapverdische appel ook niet ver van de boom. Het is niet te geloven dat beleidsmakers zich soms nog verbazen als ze worden geconfronteerd de bekende jeugdproblematiek. Hoe kan Rotterdam zo naïef zijn om te denken dat ongeschoolde arbeiders, die min of meer aan hun lot zijn overgelaten, alleen maar lieve kinderen op de Rotterdamse aarde zouden zetten? De gezinshereniging van Kaapverdianen loopt ten einde want de meeste Kaapverdianen kiezen voor een Rotterdamse partner. Toch ligt de achtergrond van veel problemen bij die gezinshereniging. Kinderen van de eerste generatie die tussen hun tiende en zestiende levensjaar naar Rotterdam kwamen, hebben de meeste aanpassingsproblemen gekend. Het is raadzaam om een kind in deze fase niet te ontwortelen. Integreren en aanpassen aan een nieuwe omgeving lukt het beste vóór het tiende levensjaar, dus vóór het voortgezet onderwijs, of na het zestiende levensjaar, als een kind bijna klaar is met het voortgezet onderwijs. De meeste Kaapverdische probleemjongeren van dit moment zijn kinderen van ouders die tussen hun tiende en zestiende levensjaar naar Rotterdam zijn gekomen of de nakomelingen van de eerste generatie.

Tegenslagen
De tegenslagen van gezinshereniging of andere soortgelijke gebeurtenissen kunnen een persoon (in mijn geval) ook sterker maken. De kans is ook aanwezig dat het individu apathisch wordt. De gevolgen daarvan zullen we later zien. Denk aan afwijkend gedrag zoals criminaliteit, drugsgebruik, stress, woedeaanvallen en ongecontroleerde emoties. De juf op school en de agent op straat kunnen of willen geen rekening houden met de omstandigheden waarin deze kinderen zijn opgegroeid. Tegenwoordig werkt iedereen onder druk. Soms moeten menselijke kanten worden uitgeschakeld om het werk nog te kunnen doen. Het gevaar is dat je dan een robot wordt en dat je andere mensen ook als robot gaat zien en behandelen. De vraag of een kind na zoveel tegenslagen en teleurstellingen nog kan functioneren is niet moeilijk te beantwoorden. Je hoeft geen wetenschapper te zijn om te kunnen zien hoeveel verwarde jongeren op zoek zijn naar een veilig nest. Ieder kind heeft recht op ‘kind zijn’. In mijn ogen is het een misdaad om kinderen in begin van hun leven te confronteren met bepaalde situaties die op het bord van volwassenen thuishoren. Er lopen zoveel verwarde jongeren rond als gevolg van psychische mishandeling, opgelopen in hun kinderjaren. Ouders die zelf een slechte jeugd gehad hebben, weinig liefde gekregen hebben of verwaarloosd zijn in hun kinderjaren, moeten van ‘goede huizen’ komen om hun kinderen de broodnodige liefde, zorg en aandacht te kunnen geven. Het ongewenste gedrag dat veel Kaapverdische jongeren vertonen, is niets meer dan de rekening die nu wordt gepresenteerd. Bewust of onbewust heeft Rotterdam de problemen van de Kaapverdianen te lang binnen de gemeenschap gehouden. Toen die Kaapverdische drugsmeisjes in Turkije werden gepakt, dachten de Nederlandse media met iets nieuws voor de dag te komen. Voor de Kaapverdische gemeenschap was dit in ieder geval al lang geen nieuws meer. Dit soort praktijken was al jaren bekend. Hoe vaak lopen Kaapverdische jongeren en volwassenen in Frankrijk, Spanje, Portugal en Italië tegen de lamp? Kaapverdianen die in deze (onder)wereld circuleren zijn meestal ‘meelopers’ die voor minder geld meer risico lopen. Uiteraard moeten we niet generaliseren. Het is verkeerd om de indruk te wekken dat alle Kaapverdische jongeren die het moeilijk hebben uit probleemgezinnen komen. Ik benadruk nogmaals dat de meeste Kaapverdische kinderen uit een goed nest komen. De meeste Kaapverdische ouders zijn goede ouders. Maar ik wil de aandacht vestigen op problemen die niet naar buiten (mochten) komen. Ik wil ook aandacht vragen voor de (re)acties als dit onderzoek wordt gepubliceerd. Wellicht word ik opnieuw bedreigd. En als ik ‘de lucht’ inga, zoals de heer Crisanto Carvalho, op maandag 10 februari 2003, tussen 18.00 en 19.00 uur, openlijk in een programma van Radio Cabo Verde FM heeft gezegd, dan was dat mijn verdiende loon. Dan was dat het noodlot van een Rotterdammer van Kaapverdische afkomst, die niet de geschiedenis in wilde gaan als een stille migrant.

Pedrinho het kind van een kindermeisje…

Ik Pedrinho…
Op straat speelde ik met de kinderen van de baas van mijn moeder
Zolang haar baas niet in zicht was
Samen renden we weg
Wat kon ik hard rennen zeg!
‘Zag je dat mama…( )…zus?’

Ik Pedrinho…
Soms viel ik, maar ik stond weer snel op
In de ogen van mijn moeder: niets aan de hand
Nee, ik mocht niet huilen,
Anders zou ik de volgende keer niet meegaan

Ik Pedrinho…
Voor mij was er geen gevaar
Mijn moeder lette op de kinderen van haar baas
Als ik hard schreeuwde om aandacht te krijgen
Dan zei ze ‘ pssst’
Als ik in de bomen klom om te laten zien hoe groot ik was
Keek ze nie.

‘Kijk is hoe hoog ik klim, mama…( )…zus!’

Ik Pedrinho…
De kinderen van de baas van mijn moeder waren niet goed met spelletjes
Ik kon ze allemaal aan
Als het moest dan speelde ik gewoon met stenen en zelfgemaakt speelgoed

Ik Pedrinho…
Voortdurend moest mijn moeder de kinde¬ren van haar baas in de gaten houden.
Als ze vielen… viel ik expres mee
Ze werden onmid¬dellijk door mijn moeder in de armen genomen,
schoonge¬veegd en getroost

Ik?
Ik kon mezelf wel schoonvegen

( Geen commentaar mogelijk op dit artikel )